Wanneer politieke retoriek verandert in brandstof voor geweld en lokale bestuurders alleen komen te staan

De afgelopen weken laten zien hoe snel woorden kunnen verschuiven richting dreiging. Wat in LoosdDe afgelopen weken laten zien hoe snel woorden kunnen verschuiven richting dreiging. Wat in Loosdrecht gebeurde, staat niet op zichzelf. Het raakt aan stigmatisering, aan politieke verantwoordelijkheid en aan de grenzen van onze democratische weerbaarheid. In mijn opinie in Trouw uit december schreef ik al dat “bedreiging van lokale politici een aanval is op ons allemaal”. De gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien hoe terecht die waarschuwing was. We zien steeds duidelijker hoe politieke retoriek verandert in brandstof voor geweld, en hoe lokale bestuurders daarbij steeds vaker alleen komen te staan.

Wie zich, net als mij, bezighoudt met de geschiedenis van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog weet hoe vroeg stigmatisering begint. Lang voordat er sprake was van systematisch geweld, werden Joden al neergezet als bedreiging. Het begon met taal die grenzen verschuift, met het normaliseren van wantrouwen en met het creëren van vijandbeelden. Precies dat benoemde Mark Boumans, burgemeester van Doetinchem en vicevoorzitter van de VNG, gisteren bij Buitenhof: het begint nooit met geweld, maar met woorden die steeds minder worden tegengesproken. Die vroege patronen zie ik nu terug in de manier waarop over asielzoekers wordt gesproken en in de manier waarop protesten worden aangejaagd. Het gaat niet om historische vergelijkingen, maar om het herkennen van mechanismen die escalatie mogelijk maken.

Bij een protest in Loosdrecht sprak Kamerlid Markuszower over omvolking. Inmiddels is er aangifte tegen hem gedaan wegens een vermeende oproep tot geweld tegen asielzoekers uit Gaza. Als het aan hem ligt worden Palestijnse asielzoekers aan de grens met "maximaal geweld" tegenhouden. Zulke taal is geen politieke overdrijving, maar ontmenselijking, een bekende stap richting escalatie.

Steeds vaker worden lokale protesten gekaapt door groepen en individuen die niets met de gemeenschap te maken hebben. Mensen die doelbewust spanning opzoeken, die profiteren van onrust en die de situatie verder laten ontsporen. Burgemeester Dijksma van Utrecht wees vorige week in Nieuwsuur er terecht op dat deze dynamiek niet spontaan ontstaat, maar wordt aangejaagd door actoren die bewust de grenzen opzoeken. Intimidatie is nooit alleen gericht op de persoon die het treft. Het ondermijnt de ruimte waarin bestuurders hun werk kunnen doen en het ontmoedigt burgers om zich uit te spreken. Zo verschuift de norm: wat eerst ondenkbaar was, wordt stilaan acceptabel. Dat is precies hoe democratische processen worden uitgehold.

Boumans waarschuwde gisteren daarnaast ook dat de situatie onhoudbaar wordt. Hij vraagt om landelijke regie, desnoods met inzet van het leger. Niet als doel op zich, maar om veiligheid en orde te waarborgen. Lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers kunnen deze druk niet alleen dragen. Dat ze recht hebben op daadkrachtige steun van de beleidsbepalers uit Den Haag spreekt voor zich.

Gelukkig is er ook een ander geluid. In Loosdrecht sprak een stille meerderheid zich uit tegen intimidatie en complotnarratieven. Dat is democratische weerbaarheid. Maar die weerbaarheid staat onder druk. De patronen die we kennen uit de twintigste eeuw zijn geen afgesloten hoofdstuk. Ze keren terug wanneer we ze niet herkennen.

In de protesten zien we hoe populistische dynamieken steeds nadrukkelijker aanwezig zijn: het verdraaien van feiten, het verspreiden van complottheorieën, het creëren van vijandbeelden en het presenteren van simpele oplossingen voor complexe problemen. Daarbij komt een groeiend anti‑institutioneel sentiment: het idee dat bestuurders, rechters en media niet te vertrouwen zijn. Ook zijn er politici die deze dynamiek versterken door de onrust te gebruiken om hun eigen narratief te bevestigen. Deze patronen versterken elkaar. Ze bieden schijnzekerheid, zetten groepen tegenover elkaar en maken het voor kwaadwillenden makkelijker om onrust te organiseren. Wat begint als onvrede, kan zo omslaan in georganiseerde intimidatie. Het is precies deze mix van misinformatie, emotie en mobilisatie die de situatie in Loosdrecht zo explosief maakte en die we in bredere zin moeten herkennen als een risico voor onze democratische ruimte.

In het geval van Markuszower is het extra wrang: de AIVD waarschuwde eerder voor de veiligheidsrisico’s rondom zijn persoons, maar toch kreeg hij na zijn afsplitsing van de PVV opnieuw een podium in de media. Dat staat niet op zichzelf. De vraag welke verantwoordelijkheid media dragen bij het bieden van zo’n platform is urgenter dan ooit. De media spelen een belangrijke rol, niet omdat zij de oorzaak zijn, maar omdat zij bepalen wie zichtbaarheid krijgt, welke frames worden herhaald en welke woorden worden genormaliseerd. Wanneer een politicus waarvoor door veiligheidsdiensten is gewaarschuwd opnieuw uitgebreid wordt geïnterviewd, is dat geen neutrale keuze maar een redactionele afweging met maatschappelijke gevolgen. Daarbij komt dat media niet telkens moeten meespringen op de trein van een nieuwe politieke “messias” die zijn intrede in Den Haag doet. Het kritiekloos omarmen van het volgende gezicht, het volgende verhaal of de volgende belofte versterkt precies die dynamiek waarin populistische frames, simplificaties en vijandbeelden voet aan de grond krijgen. Media zijn geen doorgeefluik; zij zijn poortwachters. En in een tijd waarin woorden richting dreiging verschuiven, is die poortwachtersfunctie belangrijker dan ooit.

Ook politici dragen verantwoordelijkheid door woorden zorgvuldig te kiezen en actief afstand te nemen van retoriek die groepen tot bedreiging verklaart. Maar woorden zijn niet genoeg. Er is actie nodig voordat de situatie verder escaleert, met alle, wellicht fatale, gevolgen van dien. Landelijke regie, bescherming van lokale bestuurders en duidelijke grenzen aan intimidatie mogen niet pas volgen nadat het misgaat, maar moeten er zijn om te voorkomen dat het misgaat. Het beschermen van bestuurders en het stellen van heldere grenzen aan intimidatie is geen luxe, maar een voorwaarde voor een functionerende democratie.

Juist nu moeten we vasthouden aan feiten, rechtsstaat en menselijkheid. Dat vraagt om leiderschap, moed en duidelijke grenzen.recht gebeurde, staat niet op zichzelf. Het raakt aan stigmatisering, aan politieke verantwoordelijkheid en aan de grenzen van onze democratische weerbaarheid. In mijn opinie in Trouw uit december schreef ik al dat “bedreiging van lokale politici een aanval is op ons allemaal”. De gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien hoe terecht die waarschuwing was. We zien steeds duidelijker hoe politieke retoriek verandert in brandstof voor geweld, en hoe lokale bestuurders daarbij steeds vaker alleen komen te staan.

Wie zich, net als mij, bezighoudt met de geschiedenis van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog weet hoe vroeg stigmatisering begint. Lang voordat er sprake was van systematisch geweld, werden Joden al neergezet als bedreiging. Het begon met taal die grenzen verschuift, met het normaliseren van wantrouwen en met het creëren van vijandbeelden. Precies dat benoemde Mark Boumans, burgemeester van Doetinchem en vicevoorzitter van de VNG, gisteren bij Buitenhof: het begint nooit met geweld, maar met woorden die steeds minder worden tegengesproken. Die vroege patronen zie ik nu terug in de manier waarop over asielzoekers wordt gesproken en in de manier waarop protesten worden aangejaagd. Het gaat niet om historische vergelijkingen, maar om het herkennen van mechanismen die escalatie mogelijk maken.

Bij een protest in Loosdrecht sprak Kamerlid Markuszower over omvolking. Inmiddels is er aangifte tegen hem gedaan wegens een vermeende oproep tot geweld tegen asielzoekers uit Gaza. Als het aan hem ligt worden Palestijnse asielzoekers aan de grens met "maximaal geweld" tegenhouden. Zulke taal is geen politieke overdrijving, maar ontmenselijking, een bekende stap richting escalatie.

Steeds vaker worden lokale protesten gekaapt door groepen en individuen die niets met de gemeenschap te maken hebben. Mensen die doelbewust spanning opzoeken, die profiteren van onrust en die de situatie verder laten ontsporen. Burgemeester Dijksma van Utrecht wees vorige week in Nieuwsuur er terecht op dat deze dynamiek niet spontaan ontstaat, maar wordt aangejaagd door actoren die bewust de grenzen opzoeken. Intimidatie is nooit alleen gericht op de persoon die het treft. Het ondermijnt de ruimte waarin bestuurders hun werk kunnen doen en het ontmoedigt burgers om zich uit te spreken. Zo verschuift de norm: wat eerst ondenkbaar was, wordt stilaan acceptabel. Dat is precies hoe democratische processen worden uitgehold.

Boumans waarschuwde gisteren daarnaast ook dat de situatie onhoudbaar wordt. Hij vraagt om landelijke regie, desnoods met inzet van het leger. Niet als doel op zich, maar om veiligheid en orde te waarborgen. Lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers kunnen deze druk niet alleen dragen. Dat ze recht hebben op daadkrachtige steun van de beleidsbepalers uit Den Haag spreekt voor zich.

Gelukkig is er ook een ander geluid. In Loosdrecht sprak een stille meerderheid zich uit tegen intimidatie en complotnarratieven. Dat is democratische weerbaarheid. Maar die weerbaarheid staat onder druk. De patronen die we kennen uit de twintigste eeuw zijn geen afgesloten hoofdstuk. Ze keren terug wanneer we ze niet herkennen.

In de protesten zien we hoe populistische dynamieken steeds nadrukkelijker aanwezig zijn: het verdraaien van feiten, het verspreiden van complottheorieën, het creëren van vijandbeelden en het presenteren van simpele oplossingen voor complexe problemen. Daarbij komt een groeiend anti‑institutioneel sentiment: het idee dat bestuurders, rechters en media niet te vertrouwen zijn. Ook zijn er politici die deze dynamiek versterken door de onrust te gebruiken om hun eigen narratief te bevestigen. Deze patronen versterken elkaar. Ze bieden schijnzekerheid, zetten groepen tegenover elkaar en maken het voor kwaadwillenden makkelijker om onrust te organiseren. Wat begint als onvrede, kan zo omslaan in georganiseerde intimidatie. Het is precies deze mix van misinformatie, emotie en mobilisatie die de situatie in Loosdrecht zo explosief maakte en die we in bredere zin moeten herkennen als een risico voor onze democratische ruimte.

In het geval van Markuszower is het extra wrang: de AIVD waarschuwde eerder voor de veiligheidsrisico’s rondom zijn persoons, maar toch kreeg hij na zijn afsplitsing van de PVV opnieuw een podium in de media. Dat staat niet op zichzelf. De vraag welke verantwoordelijkheid media dragen bij het bieden van zo’n platform is urgenter dan ooit. De media spelen een belangrijke rol, niet omdat zij de oorzaak zijn, maar omdat zij bepalen wie zichtbaarheid krijgt, welke frames worden herhaald en welke woorden worden genormaliseerd. Wanneer een politicus waarvoor door veiligheidsdiensten is gewaarschuwd opnieuw uitgebreid wordt geïnterviewd, is dat geen neutrale keuze maar een redactionele afweging met maatschappelijke gevolgen. Daarbij komt dat media niet telkens moeten meespringen op de trein van een nieuwe politieke “messias” die zijn intrede in Den Haag doet. Het kritiekloos omarmen van het volgende gezicht, het volgende verhaal of de volgende belofte versterkt precies die dynamiek waarin populistische frames, simplificaties en vijandbeelden voet aan de grond krijgen. Media zijn geen doorgeefluik; zij zijn poortwachters. En in een tijd waarin woorden richting dreiging verschuiven, is die poortwachtersfunctie belangrijker dan ooit.

Ook politici dragen verantwoordelijkheid door woorden zorgvuldig te kiezen en actief afstand te nemen van retoriek die groepen tot bedreiging verklaart. Maar woorden zijn niet genoeg. Er is actie nodig voordat de situatie verder escaleert, met alle, wellicht fatale, gevolgen van dien. Landelijke regie, bescherming van lokale bestuurders en duidelijke grenzen aan intimidatie mogen niet pas volgen nadat het misgaat, maar moeten er zijn om te voorkomen dat het misgaat. Het beschermen van bestuurders en het stellen van heldere grenzen aan intimidatie is geen luxe, maar een voorwaarde voor een functionerende democratie.

Juist nu moeten we vasthouden aan feiten, rechtsstaat en menselijkheid. Dat vraagt om leiderschap, moed en duidelijke grenzen.