Op 25 november 1975 werd Suriname een zelfstandige republiek. Onafhankelijkheid kwam onverwacht: premier Henck Arron kondigde in 1973 aan dat Suriname uiterlijk in 1975 onafhankelijk zou worden, zonder dat dit onderwerp tijdens de verkiezingscampagne was besproken. Het sloeg in als een bom. Grote delen van de bevolking voelden zich overvallen, er waren brandstichtingen en dreiging van etnisch geweld. Tienduizenden Surinamers besloten in onzekerheid naar Nederland te vertrekken. Uiteindelijk werd de onafhankelijkheid met een “gouden handdruk” van Den Haag – 3,5 miljard gulden ontwikkelingshulp – en de verzoening tussen Arron en oppositieleider Lachmon toch gerealiseerd.
Die politieke onafhankelijkheid kan niet los gezien worden van de eerdere strijd om vrijheid. In mijn onderzoek naar het staatstoezicht (1863–1873) blijkt dat de afschaffing van de slavernij in 1863 slechts op papier bestond. In de praktijk bleven vrijgemaakten nog tien jaar gebonden aan verplichtingen die hun bewegingsvrijheid en levensmogelijkheden ernstig beperkten. Voor wie niet kon werken waren de gevolgen schrijnend: armoede, dalende levensverwachting en ketens die weliswaar niet meer van ijzer waren, maar van regels en beperkingen. Pas in 1873 gingen die ketens echt af. Het laat zien dat vrijheid nooit vanzelf komt, maar telkens opnieuw bevochten en ingevuld moet worden.
De lijn van 1863 naar 1975 kan ook gelezen worden als een verhaal van mensen die, ondanks opgelegde grenzen, steeds opnieuw manieren vonden om hun eigen ruimte te creëren. Waar staatstoezicht vrijheid beperkte, ontstonden gemeenschappen die elkaar droegen en culturele tradities die sterker werden dan de regels die hen knevelden. En waar onafhankelijkheid aanvankelijk wantrouwen en onzekerheid opriep, groeide er gaandeweg een besef dat samenleven en samenwerken de enige weg vooruit was. Niet de formele besluiten van Den Haag of Paramaribo alleen, maar de veerkracht van families, buurten en verenigingen maakte van 1975 een keerpunt dat tot vandaag doorwerkt. Onafhankelijkheid werd zo niet enkel een politieke status, maar een collectieve oefening in het vormgeven van identiteit en toekomst.
Vandaag, vijftig jaar later, zien we hoe dat gedeelde verleden Suriname en Nederland nog steeds verbindt. Ruim 250.000 Surinamers kozen in de decennia na 1975 voor Nederland, waar zij een sterke gemeenschap opbouwden en hun cultuur en verhalen levend houden. Tegelijkertijd zijn er discussies over erkenning, herstel en de vraag hoe we omgaan met een geschiedenis die pijn en trots tegelijk oproept.
Onafhankelijkheid is daarom niet alleen een datum, maar een voortdurende opdracht: om de onzichtbare ketens van het verleden te erkennen en samen te werken aan een toekomst waarin vrijheid een doorleefde werkelijkheid is – voor Suriname én voor Nederland.
Reactie plaatsen
Reacties