Morgen is het 220 jaar geleden dat de Nederlandse vlag definitief werd gestreken aan de Kaap de Goede Hoop. Na de nederlaag tegen de Britten bij Bloubergstrand in 1806 kwam een einde aan de Nederlandse heerschappij in Zuid-Afrika, een heerschappij die eerder al in 1795 tijdelijke stopte. Deze datum markeert niet alleen een politiek afscheid, maar ook het moment waarop de Kaap vrijwel verdween uit het Nederlandse geheugen. Terwijl Nederland de afgelopen jaren zijn koloniale verleden in ‘de Oost’ en ‘de West’ kritisch herwaardeerde, bleef de Kaap opvallend buiten beeld.
Dat is geen toeval. De militaire nederlaag van 1806 werd ook een mentale breuk. Omdat Nederland de Kaap relatief vroeg verloor aan de Britse wereldmacht, voelen we haar niet langer als ‘ons’ verhaal. Zuid-Afrika beschouwen we gemakshalve als een Brits-Nederlands mengproduct, waarin onze rol na 1806 uitgespeeld zou zijn. Dat is historisch onjuist en moreel gemakzuchtig. De Kaapkolonie verdween uit Nederlands bezit, maar niet uit de Nederlandse geschiedenis. De samenleving die daar tussen 1652 en 1806 werd gevormd, legde de fundamenten voor het Zuid-Afrika dat later zou ontstaan en we vandaag de dag kennen.
Wat begon als een verversingsstation van de VOC onder Jan van Riebeeck, groeide in anderhalve eeuw uit tot een strak georganiseerde raciale orde. Europeanen, slaafgemaakten uit India en Indonesië en Madagaskar en de inheemse Khoikhoi en San ontmoetten elkaar niet in een smeltkroes, maar binnen een systeem van dwang en hiërarchie. Nederland introduceerde er de Romeins-Hollandse rechtspraak en een vorm van landbezit die de inheemse bevolking structureel marginaliseerde. Al in de VOC-tijd ontstond een vorm van het latere passensysteem: de administratieve voorloper van de identiteitscontrole die later het hart van de apartheid zou vormen.
Waarom raakte dit hoofdstuk zo ver uit beeld? De redenen zijn pijnlijk herkenbaar. Economisch stelde de Kaap teleur: geen goud, geen specerijen, jarenlang een verliespost. Moreel werd het na de Tweede Wereldoorlog ongemakkelijker. De geschiedenis van Zuid-Afrika raakte steeds sterker verbonden met het systeem van apartheid. Het was verleidelijk dat te beschouwen als een ontsporing van Afrikaner-nationalisme of Britse koloniale politiek. Door 1806 als eindpunt te nemen, konden Nederlanders zichzelf buiten schot houden.
Maar onze erfenis laat zich niet afschudden en is onuitwisbaar. Het meest confronterende bewijs is taalkundig: ‘apartheid’ is een Nederlands woord, wereldwijd synoniem voor institutioneel racisme. Wanneer we het Afrikaans horen, horen we geen verre neef die folkloristisch spreekt, maar een levende herinnering aan onze directe invloed.
Dat dit verleden in Nederland weinig leeft, heeft ook demografische oorzaken. In tegenstelling tot Antilliaanse, Indische of Surinaamse Nederlanders is de gemeenschap met wortels in Zuid-Afrika klein. De stemmen van nazaten van de Kaapse slavernij klinken hier nauwelijks door in het publieke debat. Hun geschiedenis – geen plantages, maar dwangarbeid verweven met het dagelijkse leven in stad en op boerderijen – vond nooit een vaste plaats in de nationale canon. Toch legde juist deze vorm van slavernij de culturele basis voor een systeem van diepgewortelde raciale onderwerping.
Des te wranger is het dat de recente Nederlandse excuses voor het slavernijverleden vrijwel volledig aan de Kaap voorbijgingen. Terwijl de bewijzen van deze onderdrukking gewoon in het Nationaal Archief in Den Haag liggen te verstoffen, lijkt onze morele erkenning op te houden bij de grenzen van de West en de Indische archipel. Die selectieve excuses zijn een erkenning met een blinde vlek.
Dit vergeten is niet onschuldig. Het voedt de mythe dat apartheid uit het niets ontstond, terwijl segregatie en raciale classificatie al in de zeventiende en achttiende eeuw institutioneel werden verankerd door Nederlandse bestuurders. Geschiedenis eindigt niet bij het strijken van een vlag. De juridische en sociale structuren die Nederland achterliet, werkten door in de Grote Trek, de Boerenoorlogen en uiteindelijk in de apartheidstaat van de twintigste eeuw.
De Kaapkolonie verdient daarom een vaste plaats in het Nederlandse verhaal. Niet als voetnoot, maar als wezenlijk onderdeel van het koloniale verleden. 10 januari herinnert ons eraan dat een politiek afscheid geen historisch afscheid is. Wie trots is op de Gouden Eeuw, zal ook de schaduw van de Tafelberg onder ogen moeten zien. Erkenning van dit verleden is geen politieke correctheid, maar een noodzakelijke stap naar een eerlijk zelfbeeld.